Een weblog door Tom Mulder waard van café It Houtsje.

Een witte mammoet in Almere

Weblog >>

Een witte mammoet in Almere: waarom de KNSB niet over de locatie van een nieuwe schaatstempel moet beslissen | 28-05-2013

door: Willem de Boer

Op 20 mei werd bekend dat een beoordelingscommissie van de KNSB en NOC*NSF Almere had aangewezen als de beoogde nieuwe topsportlocatie van het schaatsen. Na veel publieke commotie heeft de KNSB afgelopen weekend besloten om de plannen van de drie kandidaten nogmaals financieel te toetsen en pas in augustus een locatie definitief aan te wijzen. De KNSB probeert zijn unieke positie optimaal te benutten, maar het is onverstandig om de locatiekeuze af te laten hangen van een partij die zelf geen cent investeert of risico neemt. De politiek is aan zet om tot een maatschappelijk optimale keuze te komen.

Zonder zelf eigenaar te worden heeft de Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijders Bond - samen met NOC*NSF - een tender uitgeschreven voor de bouw van een topsportaccommodatie voor de schaatssport. Sterker nog, zonder zelfs maar te investeren of - naar het zich laat aanzien - te betalen voor af te nemen diensten. Een wonderbaarlijke situatie - alhoewel niet onbekend in de sport - waarvan de voorlopige resultaten de afgelopen dagen zichtbaar werden.

Op de gang van zaken is veel aan te merken. Eén: de KNSB handelt opportunistisch en inconsistent. Dat lijkt laakbaar, maar is ook verklaarbaar en zelfs slim. Twee: de plannen van de drie kandidaten voor de nieuwe topsportijsbaan bevinden zich in totaal verschillende stadia van ontwikkeling. Dus wordt een bijna rijpe appel vergeleken met twee net geplante meloenen. Drie: de KNSB heeft tot op heden weinig rekening gehouden met de risico’s van de verschillende plannen. Maar het belangrijkste: de KNSB is niet de juiste instantie om over een investering van mogelijk honderden miljoenen euro’s te beslissen.

Wat is er aan de hand? In economische termen is er sprake van een zogenaamd monopsony: er zijn meerdere (potentiële) aanbieders, in dit geval het Icedôme in Almere, het vernieuwde Thialf in Heerenveen en het TranSportium in Zoetermeer en er is maar één klant, de KNSB. Eenzelfde situatie zien we bij grote sportevenementen als de Olympische Spelen en het WK Voetbal, waar meerdere steden en landen als aanbieders strijden om de gunst - niet het geld - van één klant: het IOC of de FIFA. Net als deze laatstgenoemde organisaties handelt de KNSB rationeel en vanuit een (al dan niet gezond) eigen belang. Door middel van het uitschrijven van een tender probeert zij haar marktmacht zo goed mogelijk uit te nutten.

Hoofddoelstelling van de schaatsbond is om het schaatsen in Nederland ‘op wereldniveau te houden’. Daarvoor menen zij dat er een ‘vernieuwend aanbod nodig is’. Daarmee lijkt het of de tender zelf een speerpunt van het lange termijnbeleid van de KNSB is.

Niets is minder waar, maar de bond heeft handig van verschillende losstaande hersenspinsels in Almere (het Icedôme) en Zoetermeer (TranSportium) gebruik gemaakt om zo zijn invloed te vergroten op een markt waar het al lange tijd afhankelijk is van één serieuze aanbieder, Thialf. De schaatsbond onderhoudt al een tijd lang een moeizame relatie met zowel Thialf als de lokale en provinciale overheden. Vanuit het oogpunt van de KNSB is de tender een slimme zet, al leek die in eerste instantie bedoeld om de Friese financiers onder druk te zetten om meer te investeren in een groter Thialf. Maar nu de stof van de tender nog neerdaalt lijkt er al bijna sprake van een aardverschuiving in schaatsend Nederland.

De worst die de drie bidpartijen wordt voorgehouden is dat de KNSB bij de winnaar zijn ‘activiteiten voor de topsport zal ontplooien’. Daarnaast krijgt deze partij het voorrecht om elk jaar van de internationale topwedstrijden die de ISU aan Nederland toekent, er één naar keuze te organiseren. De vraag is maar of dat laatste juridisch houdbaar is, zeker als er twee (of drie) gelijkwaardige topsportlocaties in Nederland komen te staan, maar dit terzijde.

Uit de cijfers van het rapport van de beoordelingscommissie van de KNSB en NOC*NSF blijkt dat Thialf verreweg de kleinste exploitatiebegroting heeft van nog geen 5 miljoen euro bij een bezoekersaantal van circa 450.000. De nieuwe accommodaties in Almere en Zoetermeer hebben een begroting die meer dan drie, respectievelijk vier, keer zo groot is met bezoekersaantallen die beide rond het drievoudige van dat van Thialf liggen.

Afgezien van de voorgenomen omvang van de tribunes is het moeilijk voor te stellen dat een ijsbaan jaarlijks 800.000 bezoekers méér dan Thialf kan ontvangen. Dat is 4.000 bezoekers per dag, uitgaande van de hooguit 200 dagen waarop de ijsbaan voor het publiek toegankelijk en interessant is. Het is maar zeer de vraag of de capaciteit daarvoor afdoende is, afgezien nog van de vraag of er daarvoor wel een potentieel is. Zeker in een tijd waarin de publieke belangstelling voor topschaatsen ook nog eens afneemt.

Het huidige Thialf (capaciteit 10.000) heeft steeds meer moeite om bezoekers te trekken en is zelfs bij WK’s langebaan niet meer helemaal uitverkocht. Tribunes met een capaciteit van 20.000 personen (Icedôme) die 363 dagen per jaar leeg zijn zouden wel eens tot de eerste ‘White Elephant’ – of, in het geval van een wintersport, White Mammoth - in Nederland kunnen leiden. De grote evenementen waarmee zo’n grote hal ’s zomers (!) gevuld zouden moeten worden komen er niet. Een ijshal is daarvoor onvoldoende ingericht, zeker met een Ziggodome of Ahoy om de hoek.

De schaalverschillen vallen goed te verklaren. De begroting van het nieuwe Thialf is met name gebaseerd op historische realisatiecijfers en begrotingen die al door juristen, financiële experts en staatssteundeskundigen zijn beoordeeld en waar grotendeels de financiering al voor is geregeld. Zoals wel vaker in deze fasen van het bidprocedures zijn de inschattingen van de andere twee bieders nog veel natte vingerwerk, goede wil en een vleugje fantasie. Geen wonder, want de ideeën zijn nog vers en het traject naar realisatie lijkt nog lang.

Er moeten nog mensen in Zoetermeer en Almere enthousiast gemaakt worden, terwijl Heerenveen al bezig is om te voorkomen dat belanghebbenden nachtmerries krijgen. Nog geen jaar geleden - tijdens de eerste presentatie van de plannen voor het Icedôme - werden de kosten op 75 miljoen euro geschat. Inmiddels hangt er een prijskaartje aan van 183 miljoen euro. Dit initiatief bevindt zich dus duidelijk nog in een aanvangsfase, waarin verschillende grote partijen uit binnen en buitenland niet te beroerd zijn om intentieverklaringen te ondertekenen.

Voor wat betreft de ontwikkeling en de haalbaarheid van hun plannen zitten het Icedôme en Transportium nog in een veel priller stadium dan Thialf. Wat niet wil zeggen dat de plannen in Almere en Zoetermeer minder goed zijn, maar wel dat ze veel onzekerder en dus risicovoller zijn. En dat risico is nog eens veel groter door de schaal van de investeringen en begrotingen.

De beoordelingscommissie heeft haalbaarheid van de plannen wel getoetst en beoordeeld via zogenaamde knockout criteria. De risico’s zelf zijn dus niet meegenomen in de puntentelling, waardoor het eindoordeel onevenwichtig overkomt. In de praktijk betekent dit dat de financiële toetsing plaatsvond op ‘plausibiliteit van vermogensverschaffing, dat wil zeggen of de financier/investeerder bereid is tot deze vermogensverschaffing en hiertoe draagkrachtig is’. Hoe groot de rekening is doet er niet toe, als er maar een partij betrokken is die groot genoeg is om de toekomstige rekening te willen of kunnen dragen.

De intentieverklaringen leken dus voor de KNSB voldoende. Het is dan ook niet verwonderlijk dat grote bouwbedrijven en project- en gebiedsontwikkelaars zich als hoeders van de plannen hebben aangediend. Of intentieverklaringen leiden tot daadwerkelijke investeringen is dus nog maar de vraag en ook is er grote kans dat er nu partijen tussen zitten die voor een ‘hit and run’ gaan. Het is goed mogelijk dat de werkelijke kosten oplopen tot 300 miljoen euro. Maar het kan ook zijn dat door terugtrekkende investeerders de plannen worden ‘afgeslankt’. Met een treurende, maar toekijkende, KNSB als gevolg. Iedereen kan een feeks temmen, behalve als hij er mee getrouwd is.

Het is daarom, vanuit het oogpunt van de KNSB, verstandig om de financiële risico’s van de drie plannen nog eens scherp onder de loep te laten nemen. Wat niet wegneemt dat de bond in eerste instantie veel te lichtvoetig met de risico’s is omgegaan.

De rekening voor de bouw en de bijkomende risico’s zullen uiteindelijk natuurlijk voornamelijk door gebruikers en zeer waarschijnlijk ook met publieke middelen moeten worden betaald. Dat gaat ook op voor het TranSportium, dat claimt dat het zonder overheidssteun 185 miljoen euro kan ophalen. Een nobel doel, maar compleet onrealiseerbaar in een land waar een groot deel van de sportaccommodaties – klein en groot en met steun van publieke middelen – op financieel wankele grond staat.

De plannen voor Thialf ogen aanzienlijk realistischer, maar steunen wel heel nadrukkelijk op overheidssteun. Waar is het Friese bedrijfsleven en de regionale horeca? Hanze Hogeschool en Fontys Economische Hogeschool berekenden dat alleen al voor de WK afstanden in 2012 de economische impact voor de provincie Friesland ruim twee miljoen euro bedroeg, waarvan bijna zeven ton aan overnachtingen.

Opvallend is dat bij het Icedôme de KNSB niet tot de betalende gebruikers gaat horen. De schaatsbond hoeft voor het gebruik van de ijsbanen in Almere straks geen cent te betalen. Met dit aanbod bespaart de KNSB jaarlijks minimaal drieënhalve ton ten opzichte van de alternatieven. Dat zien we terug in de beoordeling: het Icedôme degradeerde haar concurrenten hiermee in één klap tot Zsolt Baló’s van de schaatswereld: leuk dat ze mee doen, maar geen schijn van kans.

De KNSB heeft nadrukkelijk de topsport centraal gezet. Of de bijdrage van de nieuwe schaatstempel bijdraagt in de ontwikkeling van breedtesport wordt in de beoordeling amper meegenomen. Een nieuwe kunstijsbaan in Zoetermeer of Almere zou op dat gebied meer kunnen bieden dan het al bestaande Thialf.

Er was bij de beoordelingscommissie daarentegen wel aandacht voor de ecologische ‘voetafdruk’, niet bepaald een kerntaak van sportbonden. Dit zal ongetwijfeld zijn gedaan om het draagvlak voor het proces (de tender) én uitkomst ervan te vergroten. Een begrijpelijk streven, maar om echt recht te doen aan de publieke opinie zal toch ook de vraag op tafel moeten komen bij wie de rekening voor een nieuwe topsportaccommodatie neerslaat en hoe groot die is.

Om dat te doen moeten de maatschappelijke kosten én baten - waaronder een stimulans voor sportinnovatie en de vrijetijdseconomie om maar wat te noemen - goed tegen elkaar worden afgewogen. Daarvoor ligt wat mij betreft de bal bij de nationale politiek, te beginnen met het uitschrijven van een MKBA (Maatschappelijke Kosten Baten Analyse). Er is immers sprake van een allocatiekwestie, met publieke middelen, dat het regionale niveau ontstijgt. Dan moet er ook regie worden gevoerd op nationaal niveau. Er zijn tenslotte buiten de KNSB talloze belangen - binnen en buiten de schaatssport - die ook mee moeten worden genomen.

Een investeringsbeslissing van 200 miljoen euro, daarover moet niet alleen een partij beslissen die zelf er niet aan meebetaalt en geen risico loopt. Hier tellen niet alleen de financiële en topsportbelangen van een bond met 150.000 leden, maar ook de economische, sociale en ecologische belangen van alle Nederlanders. Anders zitten we straks met een White Mammoth. En dat zelfs zonder dat we de Olympische Spelen georganiseerd hebben.

Willem de Boer is als econometrist verbonden aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Hij is daar werkzaam als onderzoeker Sporteconomie bij HAN SENECA, kennisteam sporteconomie en sportmanagement en docent sporteconomie binnen HAN Sport en Bewegen. Hij houdt zich onder meer bezig met prijselasticiteit binnen de sport, economische impact van sportevenementen en de betekenis van sport voor de Nederlandse economie. De Boer is momenteel secretaris van de Werkgroep Evaluatie Sportevenementen (WESP).

Terug